| Auteur |
Antwoord van mw Albayrak |
|
Jet |
02-04-08 20:05
5538173/08/1 april 2008
Antwoorden van de Staatssecretaris van Justitie op vragen van de leden Spekman en Van der Ham over de dreigende uitzetting van M.K. (ingezonden 18 maart 2008).
Vraag 1. Deelt u de mening dat ondanks het feit dat het Verenigd Koninkrijk op grond van de Overeenkomst van Dublin verantwoordelijk is voor het asielverzoek van betrokkene, Nederland betrokkene niet (indirect) mag terugsturen naar een land waar hij vreest voor vervolging vanwege zijn seksuele geaardheid (verbod van réfoulement)? Kunt u garanderen dat betrokkene niet zal worden geréfouleerd?
Antwoord 1. Het verbod op refoulement is internationaalrechtelijk vastgelegd in artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 EVRM. Het op grond van de Dublin II-verordening overdragen van een vreemdeling aan de verantwoordelijke lidstaat is niet in strijd met het refoulementverbod. Aan de Dublin IIVerordening ligt immers de gedachte ten grondslag dat ook deze voor de behandeling van het asielverzoek verantwoordelijke lidstaat het beginsel van non-refoulement eerbiedigt en voordat wordt overwogen de vreemdeling naar zijn land van herkomst terug te sturen, beoordeelt of de vreemdeling bescherming behoeft. Voorts verwijs ik u naar mijn antwoorden op uw eerdere vragen 3 en 5 van 10 maart jongstleden (nummer 2070814250).
Vraag 2. Kunt u van uw Britse ambtsgenoot de garantie krijgen dat, indien betrokkene een klacht zou indienen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens nadat eventueel zijn asielaanvraag door het Verenigd Koninkrijk is afgewezen, hij hangende deze procedure niet zal worden uitgezet naar Iran?
Antwoord 2. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ga ik ervan uit dat de Britse autoriteiten de verplichtingen uit hoofde van de internationale verdragen naleven. Er zijn geen aanwijzigen dat de Britse autoriteiten zich niet aan deze verplichten zouden houden. Ook in dit verband wijs ik u op mijn antwoorden op uw eerdere vragen van 10 maart jongstleden.
Vraag 3. Bent u bereid het specifieke beleid dat Nederland voert ten aanzien van homoseksuelen afkomstig uit Iran in Europees verband bij uw collega’s onder de aandacht te brengen, mede gelet op de omstandigheid dat vervolging
vanwege seksuele geaardheid één van de gronden is van het
Vluchtelingenverdrag? Zo neen, waarom niet?
Antwoord 3
Ja.
Vraag 4. In welke gevallen zal Nederland een asielverzoek wel naar zich toetrekken, hetgeen in het onderhavige geval niet aan de orde was? Wanneer kan worden
gesproken van dusdanige uitzonderlijke gevallen van humanitaire aard dat uitzetting op grond van de Overeenkomst van Dublin niet plaatsvindt? Hoe is dit (nader) uitgewerkt in het beleid? Kunt u in dit verband aangeven waarom Nederland in het kader van de Overeenkomst van Dublin uitzettingen continueert naar Griekenland, terwijl dit land de minimumnormen die volgen uit de Europese asielregelgeving niet naleeft?
Antwoord 4. Het doel van de Dublin II-Verordening is het vastleggen van de verantwoordelijkheid voor de behandeling van asielverzoeken. Juist daarom wordt door mij terughoudend gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de behandeling van een asielverzoek aan mij toe te trekken. Het is mijn beleid om in individuele zaken van deze bevoegdheid gebruik te maken indien terugkeer van de vreemdeling naar de verantwoordelijke lidstaat zou neerkomen op indirect refoulement en niet (langer) mag worden afgegaan op het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarnaast is het mijn beleid onder bepaalde omstandigheden gezinsleden en andere afhankelijke familieleden te
herenigen op humanitaire gronden. Ook indien de vreemdeling op basis van bijzondere, individuele omstandigheden aannemelijk maakt dat het overdragen van de vreemdeling aan de verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt, kan ik in dergelijke individuele gevallen gebruik maken van de bevoegdheid het asielverzoek zelf te behandelen. Welke aspecten in dit kader een rol (kunnen) spelen, is niet zonder meer te duiden, nu het met name zal gaan om persoonlijke omstandigheden.
In mijn antwoorden op uw eerdere vragen van 22 juli 2007 en 29 november 2007 ben ik reeds ingegaan op de redenen waarom ik in zaken waarin Griekenland verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielaanvraag geen aanleiding zie de verantwoordelijk voor deze behandeling van de asielaanvraag aan mij toe te trekken (Kamerstukken II, 2006-2007, Aanhangsel, nr. 2527 en Kamerstukken II, 2007-2008, Aanhangsel, nr. 1175).
Bron: Ministerie van Justitie
|
|
Jet |
28-03-08 19:09
Antwoorden van de Staatssecretaris van Justitie op vragen van het lid Van der Ham over de dreigende uitzetting van M.K. (ingezonden 10 maart 2008).
Vraag 1. Bent u bekend met de internationale belangstelling voor de dreigende uitzetting van M.K. uit Nederland naar het Verenigd Koninkrijk en van daaruit mogelijk naar Iran1?
Antwoord 1. Ja.
Vraag 2 Bent u bekend met de petitie van Europarlementariërs die zowel het Verenigd Koninkrijk als Nederland oproepen om gezamenlijk uitzetting van M.K. naar Iran te voorkomen?
Antwoord 2. Ja.
Vraag 3 Deelt u de mening dat deze berichtgeving indruist tegen het internationale signaal dat Nederland heeft willen geven met het in 2006 genomen besluit om Iraanse homoseksuelen als groep een veilige haven te bieden door het verlenen van asiel?
Vraag 5 Bent u bereid, gezien het feit dat Nederland voor Iraanse homoseksuele asielzoekers een uniek groepsbeleid voert dat fundamenteel afwijkt van dat van andere Schengenlanden, Iraanse homoseksuele asielzoekers ook toe te laten voor een asielaanvraag in ons land, ondanks het feit dat Nederland niet het eerste land was waar een aanvraag gedaan is? Zo neen, waarom niet?
Antwoorden 3 en 5. Het algemeen uitgangspunt van de Dublin II-Verordening, nr. 343/2003/EG, is dat een asielverzoek door één enkele lidstaat wordt behandeld, namelijk de lidstaat die volgens de in de Verordening genoemde criteria verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. De lidstaten zijn partij bij het Vluchtelingenverdrag en het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag ervan uit worden gegaan dat de lidstaten de verplichtingen inzake de réfoulementverboden voortvloeiend uit deze internationale verdragen naleven. In Nederland is het verlenen van een verblijfsvergunning aan homoseksuele Iraanse asielzoekers wegens klemmende redenen van humanitaire aard, nationaal beleid, en gaat voor wat betreft het beschermingsniveau, verder dan waartoe het Vluchtelingenverdrag en het EVRM de lidstaten verplichten. Indien Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielaanvraag, wordt pas aan dit nationale beleid getoetst nadat is vastgesteld dat de betrokken vreemdeling geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag en een uitzetting niet in strijd is met het réfoulementverbod als neergelegd in artikel 3 EVRM. In het voeren van een gunstiger nationaal beleid met betrekking tot bepaalde groepen asielzoekers, wordt echter geen aanleiding gezien om zelf het asielverzoek te behandelen, als op basis van de Dublin II-Verordening een andere lidstaat als verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen. Dit omdat het ontbreken van een zodanig beleid in de verantwoordelijke lidstaat niet betekent dat deze lidstaat zijn verplichtingen voortvloeiend uit het Vluchtelingenverdrag en het EVRM jegens de vreemdeling niet nakomt. In diverse uitspraken heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwogen dat een verschil in uitzettings- of uitvoeringsbeleid niet kan leiden tot het oordeel dat Nederland de behandeling van het asielverzoek aan zich had moeten trekken. Ik wijs u hiertoe op de uitspraken van 29 mei 2002 in zaak nr. 200202088/1 en 21 november 2007 in zaak nr. 200703526/1.
Vraag 4. Deelt u de inschatting dat er een groot risico bestaat dat de individuele toetsing in het Verenigd Koninkrijk zal leiden tot uitzetting van M.K. naar Iran? Zo ja, bent u bereid deze risicoafweging mee te wegen in een besluit om M.K. niet uit te zetten naar het Verenigd Koninkrijk en alsnog toestemming te geven tot een asielaanvraag in Nederland?
Antwoord 4. Zoals aangegeven in mijn eerdere antwoord op de vragen 3 en 5, is het Verenigd Koninkrijk partij bij het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ga ik ervan uit dat door het Verenigd Koninkrijk een asielaanvraag getoetst wordt aan de bepalingen uit deze verdragen. Bovendien heeft een vreemdeling de mogelijkheid, indien hij meent dat de uitkomst van de asielprocedure in strijd is met internationaal recht, het Europese Hof voor de Rechten van de Mens te Staatsburg te verzoeken een interim measure te treffen. Gelet op het bovenstaande, zie ik geen grond voor een conclusie dat er een reëel risico bestaat dat een vreemdeling vanuit het Verenigd Koninkrijk in strijd met de in de internationale verdragen neergelegde réfoulementverboden, naar het land van herkomst zal worden teruggestuurd. Daarmee zie ik geen aanleiding om een asielverzoek van de heer M.K. inhoudelijk te behandelen. Van belang acht ik voorts u erop te wijzen dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State recent uitspraak heeft gedaan in het door M.K. ingestelde hoger beroep. In deze uitspraak van 11 maart jongstleden, zaak nrs. 200800250/1 en 200800250/4, heeft de Afdeling geoordeeld dat niet kan worden aangenomen dat het Verenigd Koninkrijk na overdracht van betrokkene zijn verplichtingen voortvloeiend uit het EVRM ten aanzien van hem niet zal nakomen.
Vraag 6. Mocht op grond van louter formeel-juridische overwegingen uitzetting van M.K. naar het Verenigd Koninkrijk toch plaatsvinden, bent u dan bereid om met uw Britse ambtgenoot te overleggen om het Nederlandse beleid inzake Iraanse homoseksuele asielzoekers toe te lichten en haar te laten weten dat Nederland bereid is M.K. asiel te verlenen indien het Verenigd Koninkrijk mocht besluiten tot zijn uitzetting naar Iran?
Antwoord 6. Er heeft op hoog ambtelijk niveau contact plaatsgevonden met de Britse autoriteiten. In dat gesprek is aangegeven dat betrokkene op korte termijn in het kader van de Dublin II-Verordening aan het Verenigd Koninkrijk zal worden overgedragen. Daarbij is tevens het Nederlandse beleid inzake Iraanse homoseksuele asielzoekers toegelicht. Inmiddels is in de Britse media een bericht verschenen waarin wordt vermeld dat de Britse Minister van Binnenlandse Zaken heeft besloten dat de zaak van de heer M.K. heroverwogen zal moeten worden nadat hij weer is teruggekeerd in het VK. Dat bericht is bij de Britse autoriteiten geverifieerd en door het Britse ministerie van Binnenlandse Zaken bevestigd.
Bron: Ministerie van Justitie.
|
|